Our Yeshua (Immanuël)

Een verzameling van onze studies
Home Artikelen Moadiem Over ons English

Home >> Artikelen " antithese" >> Bloedoffers; waren die wel nodig?

Bloedoffers; waren die wel nodig?

13 Chesjwan 5778 | 2 november 2017

Onder de Joden ben ik de volgende bewering niet tegengekomen, maar onder de ex-christenen wel:
“Jezus’ bloed hebben wij helemaal niet nodig om verzoening te doen voor onze zonden. Sterker nog; ‘bloedoffers’ zijn helemaal niet nodig!”.
Het is niet dat onder de meeste Joden wordt beweerd dat Jezus’ bloed wel nodig is (in tegendeel) maar de bewering dat het bloed van de offers überhaupt niet nodig was om verzoening te kunnen doen, zul je nooit horen. Want met de eerder vermelde stelling wordt dan tevens gezegd dat de Ohel Mo’ed [Tent van de Vastgestelde Tijden] en later de eerste en tweede Tempel overbodig waren en dat de Tempel, die door de Messias zal worden gebouwd, ook niet nodig is. Want dit is nu juist een van de wensen binnen het jodendom: Dat alle Joden weer in Israël wonen en dat de Tempel weer in Jeruzalem zal staan waar weer kan worden geofferd zoals onze God dit via Mozes [Moshe] geboden heeft.

Toch is de opmerking “bloedoffers zijn niet nodig” niet onwaar. Bloed werd immers niet geofferd! Echter, werd het bloed van de offers wel degelijk gebruikt om verzoening te doen en enkel onder bepaalde omstandigheden voldeed een offer voor verzoening waarin bloed niet aanwezig is.

De passages die voor de bewering “bloedoffers waren (en zijn) niet nodig” – waarmee men bedoelt dat het bloed van de offers voor verzoening niet noodzakelijk is – worden gebruikt, zijn Leviticus 5:11-13 en Jona 3:10 …

Leviticus 5:11-13
Maar als zijn vermogen ontoereikend is voor twee tortelduiven of twee jonge duiven, dan moet degene die gezondigd heeft, als offergave het tiende deel van een efa [een korenmaat van vermoedelijk tussen de 20 en 45 liter] meelbloem als zondoffer brengen. Hij mag er geen olie op doen en er ook geen wierook op leggen, want het is een zondoffer. Hij moet het naar de priester brengen, en de priester moet daarvan een handvol nemen, als gedenkoffer, en het op het altaar in rook laten opgaan, boven de vuuroffers van de HEERE. Het is een zondoffer. Zo zal de priester verzoening voor hem doen over zijn zonde, die hij begaan heeft, in deze of gene zaak, en het zal hem vergeven worden. Het zal voor de priester zijn, net zoals het graanoffer.
Uit: Herziene Statenvertaling
Jona 3:10
Toen zag God wat zij deden, dat zij zich bekeerden van hun slechte weg. En God kreeg berouw over het kwade dat Hij gezegd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.
Uit: Herziene Statenvertaling

Alleen dit kleine stukje uit Leviticus gelezen, doet inderdaad geloven dat bloed van de offers helemaal niet nodig is om verzoening te doen. Vreemd, want elders wordt er juist geboden het bloed van de schuld- en zondoffers te gebruiken voor verzoening. Het bloed van deze offers moest op het altaar worden gesprengeld. Hoe zit dit nu? Want de stelling: Jezus’ bloed is helemaal niet nodig gaat dan ook op voor de TeNaCH: Bloedvergieten is helemaal niet nodig! Niet alleen zou dan het Nieuwe Testament zichzelf en het Oude Testament tegenspreken; het Oude Testament zou zichzelf ook tegenspreken, wat dan zou betekenen dat geheel de Bijbel als ‘totale onzin’ moet worden beschouwd.

Wanneer wij anderen – en onszelf in de eerste plaats – willen behoeden van een dwaalleer, zullen wij niet enkel een Bijbelpassage aan moeten halen, maar eerst het citaat in z’n context moeten lezen.
Zo kunnen wij aan het begin van Leviticus 5:11 zien dat er wat aan vooraf gaat. Wel kunnen wij in dit kleine stukje lezen dat het om een enkel persoon gaat en niet om een gemeente/volk. En als wij dan beginnen bij vers 1 van dit hoofdstuk, dan wordt dit bevestigd:

Leviticus 5:1
Als een persoon zondigt doordat hij een uitgesproken vervloeking hoort en hij dus getuige is, of dat hij het gezien heeft of het te weten gekomen is, als hij het niet vertelt, dan draagt hij zijn ongerechtigheid.
Uit: Herziene Statenvertaling

Niet enkel in vers 1 lezen wij dat het betrekking heeft op een persoon; ook in de verzen die volgen kunnen wij dit zien.

Leviticus 5:1-13 heeft betrekking op het offeren van een zondoffer, omdat iemand zich schuldig tegen onze God heeft gemaakt. Namelijk:

  • Getuigen zijn van een vervloeking en deze niet heeft verteld [vers 1];
  • Iets onreins hebben aangeraakt; kadaver van een dier of iets onreins van een mens [vers 1 en 2];
  • Ondoordacht zweren [vers 4].

Alleen onder deze omstandigheden volstaat een offer waarin geen bloed zit voor zondoffer, mits de persoon zelfs geen tortelduiven of jonge duiven heeft zodat er verzoening voor hem kan worden gedaan. Hoe het zondoffer moest worden voltrokken (de wet van de zondoffer), staat in Leviticus 6:24-30 omschreven.

Leviticus 5:14-6:7 [5:21-26] heeft betrekking op het offeren van een schuldoffer voor de zonde die een persoon, al dan niet opzettelijk, heeft gedaan. Namelijk:

  • Zonder opzet trouwbreuk plegen en een zonde begaan tegen de heilige dingen van onze God [Lev. 5:15];
  • Zondigen tegen een van alle geboden van onze God, ook al wist de persoon het niet [Lev. 5:17];
  • Met opzet trouwbreuk plegen en zondigen [Lev. 6:1-7 (5:21-26)].

Het offer moest een ram zonder enig gebrek zijn. Hoe het schuldoffer moest worden voltrokken (de wet van het schuldoffer), staat in Leviticus 7:1-7.

Er zijn ook verschillen in het offeren door een priester; het offeren door/namens geheel het volk; het offeren door een leider van een stam en het offeren door één persoon. Dit kunnen wij in Leviticus 4 lezen.

De offergave van de priester:

Leviticus 4:2-12
Spreek tot de Israëlieten en zeg: Als een persoon zondigt door een onopzettelijke overtreding van enig gebod van de HEERE, iets wat niet gedaan mag worden, maar wat hij toch doet tegen één van de geboden – ook als de priester, de gezalfde gezondigd heeft zodat het volk schuldig wordt – dan moet hij voor zijn zonde, die hij begaan heeft, als zondoffer aan de HEERE een jonge stier aanbieden – het jong van een rund – zonder enig gebrek. Dan moet hij de jonge stier bij de ingang van de tent van ontmoeting voor het aangezicht van de HEERE brengen, zijn hand op de kop van de jonge stier leggen en de jonge stier slachten voor het aangezicht van de HEERE. Vervolgens moet de priester, de gezalfde, een deel van het bloed van de jonge stier nemen en het naar de tent van ontmoeting brengen. Dan moet de priester zijn vinger in het bloed dopen en een deel van het bloed moet hij zeven keer sprenkelen voor het aangezicht van de HEERE, namelijk vóór het voorhangsel van het heilige. En de priester moet een deel van het bloed strijken op de hoorns van het altaar voor het geurige reukwerk, dat in de tent van ontmoeting staat voor het aangezicht van de HEERE. En hij moet al het overige bloed van de jonge stier uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de tent van ontmoeting staat. Verder moet hij al het vet van de jonge stier van het zondoffer omhoogheffen, het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit, dan de beide nieren met het vet dat eraan vastzit, tegen de lendenen aan, en het net over de lever, dat hij tegelijk met de nieren moet verwijderen, net zoals het van het rund van het dankoffer omhoog geheven wordt. De priester moet dat vervolgens op het brandofferaltaar in rook laten opgaan. Maar de huid van de jonge stier en al zijn vlees, met zijn kop en met zijn poten, en zijn ingewanden en zijn mest, dus heel de jonge stier, moet hij naar buiten brengen, tot buiten het kamp, naar een reine plaats, naar de stortplaats van de as. Dan moet hij hem op hout met vuur verbranden. Op de stortplaats van de as moet hij verbrand worden.
Uit: Herziene Statenvertaling

De offergave van het volk:

Leviticus 4:13-21
Als echter heel de gemeenschap van Israël zonder opzet gezondigd heeft en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is gebleven, en zij iets gedaan hebben tegen enig gebod van de HEERE, wat niet gedaan mag worden, en dus schuldig zijn geworden, en als de zonde die zij daartegen begaan hebben, bekend is geworden, dan moet de gemeente een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer aanbieden en die vóór de tent van ontmoeting brengen. Vervolgens moeten de oudsten van de gemeenschap hun handen op de kop van de jonge stier leggen, voor het aangezicht van de HEERE. Daarna moet men de jonge stier slachten voor het aangezicht van de HEERE. Dan moet de priester, de gezalfde, een deel van het bloed van de jonge stier naar de tent van ontmoeting brengen. En de priester moet zijn vinger in een deel van het bloed dopen en dat zeven keer sprenkelen voor het aangezicht van de HEERE, namelijk vóór het voorhangsel. Een deel van het bloed moet hij dan op de hoorns van het altaar strijken dat voor het aangezicht van de HEERE is, in de tent van ontmoeting. En al het overige bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de tent van ontmoeting staat. Verder moet hij ook al zijn vet eruit omhoogheffen en op het altaar in rook laten opgaan. Hij moet dan met de jonge stier doen net zoals hij met de jonge stier van het zondoffer gedaan heeft. Zo moet hij ermee doen. Zo zal de priester voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden. Vervolgens moet hij de jonge stier naar buiten brengen, tot buiten het kamp, en hem verbranden, net zoals hij de eerste jonge stier verbrand heeft. Het is een zondoffer van de gemeente.
Uit: Herziene Statenvertaling

De vetgedrukte woorden “de gezalfde” achter ‘de priester’, is in het Hebreeuws hetzelfde woord als wat in het Hebreeuws voor “de Messias” wordt gebruikt: המשיח HaMashiach. Dit woord is afkomstig van het stamwoord משח mashach, wat “insmeren; zalven” betekent. Dit woord (mashach) komt onder andere voor in Numeri 35:25 in relatie tot de hogepriester en in Jesaja 61:1 waarbij niet vermeld staat op wie dit betrekking heeft. HaMashiach komt vier keer in de TeNaCH voor en allen in relatie tot de priester: Leviticus 4:3,5,16; 6:15.

De offergave van de overste (leider):

Leviticus 4:22-26
Als een leider gezondigd heeft en zonder opzet tegen een van alle geboden van de HEERE zijn God iets gedaan heeft wat niet gedaan mag worden, zodat hij schuldig is, of als zijn zonde, die hij daartegen begaan heeft, hem later bekendgemaakt wordt, dan moet hij zijn offergave brengen: een geitenbok, een mannetje zonder enig gebrek. Dan moet hij zijn hand op de kop van de bok leggen en hem slachten op de plaats waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht van de HEERE. Het is een zondoffer. Vervolgens moet de priester met zijn vinger een deel van het bloed van het zondoffer nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar strijken. Hij moet het overige bloed aan de voet van het brandofferaltaar uitgieten. Verder moet hij al het vet ervan op het altaar in rook laten opgaan, net zoals het vet van het dankoffer. Zo zal de priester voor hem verzoening van zijn zonden doen, en het zal hem vergeven worden.
Uit: Herziene Statenvertaling

De offergave van een persoon:

Leviticus 4:27-35
Als één persoon uit de bevolking van het land zonder opzet gezondigd heeft omdat hij iets gedaan heeft tegen een van de geboden van de HEERE, iets wat niet gedaan mag worden, zodat hij schuldig is geworden, of als zijn zonde die hij begaan heeft, hem later bekendgemaakt wordt, dan moet hij zijn offergave brengen: een geit, een vrouwtje zonder enig gebrek, voor zijn zonde, die hij begaan heeft. Dan moet hij zijn hand op de kop van het zondoffer leggen, en men moet dat zondoffer slachten op de plaats van het brandoffer. Vervolgens moet de priester met zijn vinger een deel van haar bloed nemen en het op de hoorns strijken van het brandofferaltaar. En al haar overige bloed moet hij aan de voet van het altaar uitgieten. Verder moet hij al het vet ervan verwijderen, net zoals het vet van het dankoffer verwijderd wordt. En de priester moet het op het altaar in rook laten opgaan als een aangename geur voor de HEERE. Zo zal de priester verzoening voor hem doen, en het zal hem vergeven worden. Als hij nu een lam brengt als zijn offergave voor een zondoffer, moet het een vrouwtje zijn dat hij brengt, zonder enig gebrek. Dan moet hij zijn hand op de kop van het zondoffer leggen en het slachten als een zondoffer op de plaats waar men het brandoffer slacht. Vervolgens moet de priester met zijn vinger een deel van het bloed van het zondoffer nemen en het op de hoorns van het brandofferaltaar strijken. En al zijn overige bloed moet hij aan de voet van het altaar uitgieten. Verder moet hij al het vet ervan verwijderen, net zoals het vet verwijderd wordt van het lam van het dankoffer. De priester moet het op het altaar in rook laten opgaan, op de vuuroffers van de HEERE. Zo zal de priester verzoening voor hem doen over zijn zonde, die hij begaan heeft, en het zal hem vergeven worden.
Uit: Herziene Statenvertaling

Bloed was wel degelijk nodig. Alleen voor één persoon die zelfs geen tortelduif of jonge duif had die voor een zondoffer gebruikt kon worden, was het toegestaan meel te offeren.

We merken wel op dat er niet gesproken wordt van een mannelijk, eenjarige lam dat als zond-/schuldoffer geofferd mocht worden. Voor de leider was het een bok (zo heet in onze taal een mannetjesgeit) dat als zondoffer geofferd mocht worden en voor de priester en het volk moest het een jonge stier zijn. Dus, wat werd dan bedoeld met “het Lam van God wat de zonden van de wereld op z’n schouders nam?” (Johannes 1:29) Ik kom hier later op terug. Laten wij eerst Jona 3:10 behandelen.

De in het begin al aangehaalde Jona 3:10 is wel heel beknopt om erachter te kunnen komen wie die “zij” nu zijn die zich van hun slechte daden bekeerd hadden. We zullen toch echt bij het begin moeten beginnen, om hier achter te kunnen komen.

We lezen in vers 1 dat onze God tot een zekere Jona spreekt en wel voor de tweede keer. In vers 2 lezen wij wat onze God tegen Jona te zeggen heeft:

Sta op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar de prediking die Ik tot u spreek.
Uit: Herziene Statenvertaling

Ninevé ligt in huidig Irak, wat in die tijd een deel van Assyrië was. Hiermee kunnen wij gelijk stellen dat de inwoners van Ninevé geen Israëlieten waren.
Als we dan verder lezen, zien wij dat de stad een doorsnee had van wel drie dagreizen en dat Jona de stad één dagreis doorsnee inging en dat hij daar begon te prediken.

Jona 3:4
En Jona begon de stad in te gaan, één dagreis. Hij predikte en zei: Nog veertig dagen en Ninevé wordt ondersteboven gekeerd!
Uit: Herziene Statenvertaling

Blijkbaar was er iets ergs gebeurd waardoor deze stad door onze God moest worden vernietigd. Het volk geloofde het woord van onze God en geheel de stad Ninevé toonde berouw. Hoe? Dat lezen wij vanaf vers 5 van dit hoofdstuk.

Jona 3:5-10
De mensen van Ninevé geloofden in God. Zij riepen een vasten uit en trokken rouwgewaden aan, van de grootste tot de kleinste onder hen. Toen dat woord de koning van Ninevé bereikte, stond hij hij op van zijn troon, legde zijn staatsiegewaad af, hulde zich in een rouwgewaad en ging in het stof zitten. En in Ninevé werd op bevel van de koning en zijn rijksgroten omgeroepen: Mens en dier, runderen en schapen, mogen niets eten, niet grazen en geen water drinken. Mens en dier moeten in rouwgewaden gehuld zijn en met kracht tot God roepen. Zij moeten zich bekeren, ieder van zijn slechte weg en van het geweld dat aan zijn handen kleeft. Wie weet zal God Zich omkeren, berouw hebben en Zijn brandende toorn laten varen, zodat wij niet omkomen! Toen zag God wat zij deden, dat zij zich bekeerden van hun slechte weg. En God kreeg berouw over het kwade dat Hij gezegd had hun te zullen aandoen, en Hij deed het niet.
Uit: Herziene Statenvertaling

Jona 3:10 getuigd niet van Gods volk wat niet per se hoeft te offeren bij schuld of zonde, maar van inwoners van een grote stad, wat niet tot Israël behoorde en waarvan de inwoners ook geen Israëlieten waren, die onze God geloofden en zich van hun daden bekeerden. In de TeNaCH staat nergens dat het voor volkeren buiten Israël verplicht was op dezelfde manier te offeren als de Israëlieten. Echter, vreemdelingen die binnen de palen van Israël verbleven, hadden wel die verplichting.

Leviticus 5:11-13 en Jona 3:10 aanhalen om hiermee Jezus’ bloed als “niet nodig” te verklaren, getuigd van weinig tot geen verstand van de:

  • Torah [Instructie; Leer]
  • Nevi’im [Profeten]
  • Ketuvim [Schriften]

… afgekort: TeNaCH (TaNaKH = Engelse transliteratie)
Noot: aan het einde van een Hebreeuws woord wordt de letter kaf [כ] een chaf sofet [ך] en “ch” uitgesproken.

Dan nu een verklaring wat ik op pagina 4 heb aangehaald:

“Wat wordt er bedoeld met: ‘het Lam van God wat de zonden van de wereld op zich nam’, sinds in de aangehaalde verzen niet gesproken wordt over een lam wat als zond-/schuldoffer geofferd moest worden?”

Merk op dat de eerder aangehaalde hoofdstukken 4 en 5 uit het boek Leviticus gaan over het offeren nadat een zonde of een schuld is begaan zonder opzet. Wanneer er een zonde of schuld is begaan met opzet, gelden er andere regels. Dit lezen wij in hetzelfde boek en wel in hoofdstuk 6:

Leviticus 6:1-7 (Leviticus 5:21-26)
De HEERE sprak tot Mozes: Wanneer een persoon zondigt en trouwbreuk pleegt tegen de HEERE, doordat hij tegenover zijn naaste ontkent dat hem iets in bewaring gegeven of ter hand gesteld is, of dat hij iets geroofd heeft, of zijn naaste iets met geweld afgeperst heeft, of een verloren voorwerp gevonden heeft, en hij ontkent dat en legt een valse eed af over één ding van alles wat een mens kan doen om zich daarmee te bezondigen, dan moet het zijn – omdat hij gezondigd heeft en schuldig bevonden is – dat hij het geroofde, dat hij wegroofde, terugbrengt, of het afgeperste, dat hij met geweld afhandig maakte, of het in bewaring gegevene, dat hem in bewaring gegeven was, of het verloren voorwerp, dat hij gevonden had, of alles waarover hij een valse eed afgelegd heeft. Daarvan moet hij de volle waarde vergoeden en er nog een vijfde deel aan toevoegen. Hij moet het geven aan degene die het toebehoorde, op de dag dat hij zijn schuldoffer brengt. Hij moet zijn schuldoffer voor de HEERE naar de priester brengen, een ram zonder enig gebrek uit het kleinvee tegen een door u bepaalde waarde, als schuldoffer. Zo moet de priester verzoening voor hem doen voor het aangezicht van de HEERE, en het zal hem vergeven worden ten aanzien van welke zaak dan ook waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt.
Uit: Herziene Statenvertaling

Ook hier wordt, evenals in Leviticus 5:15, niet gesproken over een lam, mannelijk zonder gebrek, maar over een ram zonder enig gebrek. Ook wordt er niet gesproken over een jonge ram of een volwassen ram. In Nederland wordt onder een lam verstaan een schaap jonger dan 12 maanden dat geen blijvende snijtanden heeft. Een jonge ram dat niet ouder dan 24 maanden is en twee permanente snijtanden heeft, wordt een jaarling genoemd.

Het was een man genaamd Johannes – in het Hebreeuws/Aramees Yochanan – die tegen de mensen om hem heen zei: Zie het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt! Deze man was uit de stam Juda en hield zich op bij de rivier de Jordaan. Daar dompelde hij de mensen onder die bekering wilde doen. Leiders en Schriftgeleerden uit zijn stam kwamen naar hem toe om hem te vragen onder welke autoriteit/gezag hij dit deed en wilde van hem weten wie hij was.

Nu wij de eerder aangehaalde teksten uit de Torah hebben gelezen, willen wij graag weten wat deze man nu bedoelde, toen hij deze woorden uitsprak. Immers, de zondoffers bestonden toch niet uit een lam? Laten wij zijn woorden eens aanhalen. Dit keer citeer ik uit een andere Bijbelvertaling. Dit is een Engelse vertaling:

Yochanan 1:28-30
These events took place in Beit-Anyah (Bethany), beyond the Yarden River, which Yochanan was using as a mikveh mayim in which to administer the tevilah.
On the next day, Yochanan sees Yehoshua coming to him, and Yochanan says, Hinei! The Seh HaElohim, the one carrying away the avonot HaOlam Hazeh (sins of this world). This is he about whom I said, After me comes an ISH who is really before me in priority, because, before I came to be, he was.

Uit: The Orthodox Jewish Bible
Johannes 1:28-30
Dit gebeurde in Beit-Anjah (Bethábara), aan de overkant van de rivier de Jordaan, welke Yochanan gebruikte als een mikvè majim waar hij de tevilà uitvoerde.
De volgende dag ziet Yochanan Yehoshua naar hem toe komen en Yochanan zei: Zie! De Sè HaElohim, degene die de avonot HaOlam Hazè (de zonden van deze wereld) wegdraagt. Deze is het van wie ik zei: Na mij komt een ISH [MAN] die eigenlijk vóór mij in prioriteit was, want voordat ik tot bestaan kwam, was hij.

Het woord “Seh/Sè” is naar onze taal vertaald “lammetje”. Het betekent ook “een van een kudde”; “schaap”; “(jonge) geit”; “(jonge) bok”. Dit woord wordt ook gebruikt in:

  • Genesis 30:32
  • Exodus 12:3,5; 21:37 (22:1); 22:3,8,9 (4,9,10)
  • Leviticus 5:7; 12:8; 22:28; 27:26
  • Deuteronomium 14:4; 18:3
  • 1 Samuël 17:34
  • Jesaja 7:25; 43:23
  • Jeremia 50:17
  • Ezechiël 34:20,22

De Orthodox Jewish Bible [OJB] verwijst naar Genesis 22:8, waarin Abraham tegen zijn zoon Izaäk zegt dat God Zelf voor een lam ten brandoffer zal zorgen. Het Hebreeuwse woord voor “een lam” is “haSeh”. ‘Ha’ is een lidwoord. Echter is een brandoffer geen zond-/schuldoffer. Maar dit is niet het enige waar OJB jaar verwijst:

Exodus 12:5-13
U moet een lam [seh] zonder enig gebrek hebben, een mannetje van een jaar oud. U moet het van de schapen of van de geiten nemen U moet het in bewaring houden tot de veertiende dag van deze maand, en heel de verzamelde gemeenschap van Israël zal het slachten tegen het vallen van de avond. En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen. Zij moeten het vlees dezelfde nacht nog eten; op vuur gebraden, met ongezuurde broden, en met bittere kruiden moeten zij het eten. U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar alleen op vuur gebraden, met zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden. U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de volgende morgen van over is, moet u met vuur verbranden. En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE. Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE. En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweegbrengt, als Ik het land Egypte zal treffen.
Uit: Herziene Statenvertaling

Het Hebreeuwse woord voor “Pascha” is “Pesach”. In het Hebreeuws staat in plaats van “… zal Ik u voorbijgaan …”: “opasachtie”, wat “overslaan” betekent.

Ook deze citaat gaat niet over een zond-/schuldoffer. Echter moeten wij wel alert zijn op het feit dat onze God toen alle eerstgeborenen van de Egyptenaren – van zowel mens en vee – heeft getroffen en aan de goden van de Egyptenaren een gericht, een straf heeft voltrokken. De Israëlieten – nakomelingen van de Hebreeër Abraham – leefden ruim 400 jaar onder de Egyptenaren en ook aan hen kleefden deze afgoden. Hun kennis omtrent onze God hadden ze verloren en wat ze nog deden, was meer uit gewoonte die binnen hun families voorkwam dan uit liefde voor onze God. Zo moest de besnijdenis later weer onder hun aandacht worden gebracht.
Zonder dit bloedteken zou er daarom ook onder hen een gericht gekomen zijn; zouden zij ook worden getroffen. En in feite kwam er met de instelling van de zond- en schuldoffers ook een ‘escape’ van te worden getroffen door de straf, afkomstig van onze God.

Dit is echter niet de enige verwijs-citaat wat OJB heeft aangehaald:

Jesaja 53:6-7, 12
Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn eigen weg. Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen neerkomen.
Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als en lam
[seh] werd Hij ter slachting geleid; als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open.
Daarom zal Ik Hem veel toedelen, en machtigen zal Hij verdelen als buit, omdat Hij Zijn ziel heeft uitgestort in de dood, onder de overtreders is geteld, omdat Hij de zonden van velen gedragen heeft en voor de overtreders gebeden heeft.
Uit: Herziene Statenvertaling

Kijk … en hier kunnen wij wel wat mee! Er staat hier dat “onze” ongerechtigheden op “hem” kwam.
Men beweert nu dat zowel deze “onze” als deze “Hem” Israël is, waarmee de 12 (of 13) stammen wordt bedoeld. Met alle respect, maar dat kan niet! Een onrechtvaardige kan zichzelf niet offeren om daarmee zichzelf vrij te pleiten en ook een compleet volk dat zichzelf offert om zichzelf vrij te pleiten, is niet mogelijk! De zondaar, of “de schuldige”, bracht zijn offer naar de priester en die deed verzoening voor hem bij יהוה onze God!

OJB heeft nog een verwijs-citaat aangehaald:

Leviticus 16:22
Zo draagt de bok [hassa’ier] al hun ongerechtigheden op zich weg naar een onbewoond gebied. Hij moet dan de bok de woestijn in sturen.
Uit: Herziene Statenvertaling

Dit betreft De Grote Verzoendag, in het Hebreeuws “Yom Kippur”.

Als wij het begin van Leviticus hoofdstuk 16 lezen, dan zien wij dat onze God Zijn woorden tot Mozes richt nadat twee zonen van de hogepriester Aäron gestorven waren. Deze twee mannen waren “voor het aangezicht van יהוה genaderd”, wat inhoudt dat zij in het Heilige der Heiligen waren gekomen. Dit gedeelte van de Tent (of Tempel) werd zo genoemd omdat daar boven het Ark van het Verbond Gods “sjechiena [glorie; heerlijkheid]” aanwezig was. Via Mozes zegt God tot Aäron:

Leviticus 16:2-3
De HEERE zei toen tegen Mozes: Spreek tot uw broer Aäron en zeg dat hij niet te allen tijde in het heiligdom binnen het voorhangsel mag komen, vóór het verzoendeksel dat op de ark ligt, opdat hij niet sterft, want Ik verschijn in de wolk op het verzoendeksel.

Alleen hiermee mag Aäron het heiligdom binnengaan: met een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer en een ram als brandoffer.
Uit: Herziene Statenvertaling

Er wordt hem verteld hoe en waarmee hij zich moet kleden en wat hij eerst moet doen voordat hij de opgedragen kleding aantrekt. Vervolgens vertelt onze God dat uit de gemeenschap van de Israëlieten twee bokken – שני-שעירי עזים sjennei se’irieej ‘iziem – moet worden genomen als zondoffer en een ram als brandoffer. Onze God legt tevens uit wat er met deze twee bokken moet gebeuren.

Leviticus 16:5-22
Van de gemeenschap van de Israëlieten moet hij twee geitenbokken [sjennei se’ireej] nemen als zondoffer en één ram als brandoffer. Dan moet Aäron de jonge stier aanbieden als zondoffer dat voor hem bestemd is, en voor zichzelf en zijn gezin verzoening doen. Hij moet ook de beide bokken nemen en die voor het aangezicht van de HEERE plaatsen, bij de ingang van de tent van ontmoeting. Aäron moet namelijk het lot over de twee bokken werpen: één lot voor de HEERE en één lot voor de weggaande bok. Dan moet Aäron de bok waarop het lot voor de HEERE gevallen is, aanbieden en hem als zondoffer bereiden. Maar de bok waarop het lot is gevallen om weggaande bok te zijn, moet levend voor het aangezicht van de HEERE geplaatst worden, om daarmee verzoening te doen door hem als weggaande bok de woestijn in te sturen. Dan moet Aäron de jonge stier als het zondoffer dat voor hemzelf bestemd is, aanbieden, en voor zichzelf en zijn gezin verzoening doen, en de jonge stier als het zondoffer dat voor hemzelf bestemd is, slachten. Verder moet hij van het altaar voor het aangezicht van de HEERE een vuurschaal vol vurige kolen nemen, met beide handen vol fijngestoten geurig reukwerk, en dit binnen het voorhangsel brengen. Hij moet dan het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de HEERE, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel, dat boven de getuigenis is, bedekt en hij niet zal sterven. Hij moet dan een deel van het bloed van de jonge stier nemen, en met zijn vinger op het verzoendeksel sprenkelen, aan de kant naar het oosten toe. En vóór het verzoendeksel moet hij zeven keer met zijn vinger van dat bloed sprenkelen. Daarna moet hij de bok slachten die als zondoffer voor het volk bestemd is, en zijn bloed binnen het voorhangsel brengen. Hij moet met zijn bloed doen zoals hij met het bloed van de jonge stier gedaan heeft, en dat op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel sprenkelen. Zo moet hij over het heiligdom verzoening doen vanwege de onreinheden van de Israëlieten en vanwege hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Zo moet hij ook doen met de tent van ontmoeting, die bij hen staat, te midden van hun onreinheden. Geen enkel mens mag in de tent van ontmoeting zijn, als hij er binnengaat om in het heiligdom verzoening te doen, totdat hij naar buiten komt. Zo moet hij verzoening doen voor zichzelf, voor zijn gezin en voor heel de gemeente van Israël. Daarna moet hij naar buiten gaan, naar het altaar, dat voor het aangezicht van de HEERE is, en er verzoening over doen. Hij moet dan een deel van het bloed van de jonge stier en een deel van het bloed van de bok nemen en het rondom op de hoorns van het altaar strijken. Dan moet hij met zijn vinger zeven keer een deel van het bloed daarop sprenkelen. Zo reinigt en heiligt hij het van de onreinheden van de Israëlieten. Wanneer hij de verzoening over het heiligdom, de tent van ontmoeting en het altaar voltooid heeft, dan moet hij de levende bok naderbij laten komen. Aäron moet zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en al de ongerechtigheden van de Israëlieten belijden, al hun overtredingen, overeenkomstig al hun zonden. Hij moet die op de kop van de bok leggen en hem door de hand van een man, die daarvoor gereedstaat, de woestijn in sturen. Zo draagt de bok al hun ongerechtigheden op zich weg naar een onbewoond gebied. Hij moet dan de bok de woestijn in sturen.
Uit: Herziene Statenvertaling

Eén van de bokken [Seh] werd gebruikt voor zondoffer namens de gemeenschap van de Israëlieten en de andere seh werd gebruikt om daarmee alle ongerechtigheden van het volk met zich mee naar een onbewoond gebied (woestijn) te dragen.

En zo zien wij dat de woorden van Johannes [Yochanan] helemaal niet zo verkeerd waren, maar dat ze door ons verkeerd zijn opgevat. Johannes doelde op het wegdragen van de zonde van een gemeenschap, die inmiddels over geheel de wereld zijn verspreid. En de andere seh werd geofferd namens deze gemeenschap als zondoffer. Opmerkelijk is echter wel dat dit gebeurde op de 10e dag van de 7e maand, maar dat Jezus op de 14e van de 1ste maand is gestorven. Deze dag komt overeen met het slachten van het Pesachlam. Dit was nodig om met het bloed een merkteken op de deurposten en bovendorpels achter te laten, zodat Gods doodslager wist dat hij het huis met dit merkteken over moest slaan.

Maar, wat is nu zo opmerkelijk aan de eerste maand en de zevende maand? Dat ze in feite aan elkaar verbonden zijn. Kijk maar eens naar de Menora: