Our Yeshua (Immanuël)

Een verzameling van onze studies
Home Artikelen Over ons English

Home >> Artikelen " antithese" >> Jesaja 53; waar gaat dit over?

Jesaja 53; waar gaat dit over?

14 Chesjwan 5778 | 3 november 2017

Binnen het christendom is dit zo klaar als een klontje: “Over Jezus natuurlijk!”, is hun antwoord. Binnen het jodendom is het helemaal niet zo ‘klaar als een klontje’. “Jesaja is een boek en hoofdstuk 53 is een deel van dit boek. Van het begin af aan gaat dit boek over Israël en dus ook hoofdstuk 53.”, is wat er binnen het jodendom wordt geleerd en hoe er wordt gereageerd op christelijke en messiaans Joodse beweringen dat hoofdstuk 53 over de Messias zou gaan.

Men is van mening dat het Israël zelf is – dat wil zeggen, al de stammen – dat lijdt, boete moet doen en uiteindelijk de beloning daarvoor krijgt. Deze beloning houdt in dat men van alle vier de windstreken van de aarde naar het Beloofde Land terug zal worden gebracht en dat er dan geen lijden meer zal zijn en ook geen zwoegen voor anderen.

Mensen die geloven dat hoofdstuk 53 van het boek Jesaja over de Messias gaat, zijn van mening dat het onjuist is te denken dat een volk dusdanig kan lijden en boete kan doen om hiermee zichzelf te verlossen van een zonde die het volk zelf heeft gepleegd. Zij geloven dat het een zondvrije persoon moet zijn die de onrechtvaardigheden van zijn volk op zich kan nemen en hiermee de zonden van het volk wegneemt en aldoende het volk verlost van diens juk.

Om er nu achter te komen waar het werkelijk over gaat, wie/wat er nu bedoeld wordt met “hij” en “hem” uit Jesaja 53, zullen wij in de TeNaCH moeten duiken en ook andere hoofdstukken van het boek Jesaja erbij moeten halen. Laten wij beginnen met enkele hoofdstukken uit Jesaja.

Jesaja 47

Via de profeet Jesaja legt onze God uit wat er met Babel staat te gebeuren en waarom.

Babel wordt vernietigd! Het zal niet langer meer over koninkrijken heersen! Het dacht dit voor eeuwig te kunnen doen en heeft zichzelf hogergeplaatst [geacht] dan het daadwerkelijk was. Ik citeer vers 6 van dit hoofdstuk:

Ik was zeer toornig op Mijn volk, Ik ontheiligde Mijn eigendom en Ik gaf hen over in uw hand, maar u bewees hun geen barmhartigheid, ja, zelfs voor de oude maakte u uw juk zeer zwaar.
Uit: Herziene Statenvertaling

Het was het zuidelijk gelegen koninkrijk Yehudah [Judea] dat door de Babyloniërs werd veroverd. Dit koninkrijk werd gevormd door de stammen Yehudah [Juda] en Benyamin. Maar ook Levieten en enkelen van andere stammen die van het noordelijk gelegen koninkrijk naar het zuiden zijn verhuisd, woonden in dit koninkrijk. Zij waren nog de enige die voor onze God als Zijn volk werd beschouwd. Het noordelijk gelegen koninkrijk was al eerder in diaspora1 gegaan, veroverd door de Assyriërs. Zij zijn door onze God weggezonden met een scheidbrief en werden “lo-ammi [niet Mijn volk]” verklaard [2 Koningen 18:9-12, Hosea 1:6-9 en Jeremia 3:8].

1. Van het oud-Grieks διασπορά wat “verstrooiing, uitzaaiing” betekent; in het Hebreeuws תְּפוּצָה tfoetsah. Een ander Hebreeuws woord is גָּלוּת galoet en dit betekent “verbanning”.

De vernietiging van Babel wordt in het boek Openbaringen weer aangehaald.