Our Yeshua (Immanuël)

Een verzameling van onze studies
Home Artikelen Over ons

Mogen wij Gods Naam uitspreken? Vervolg.

Het betekent onze God alles dat wij Zijn Naam weten, eren en benoemen

Zijn Naam wordt gelasterd en het is onze God ernst Zijn Naam te doen zuiveren.

Via de profeet Jesaja/Yeshayahu doet onze God meedelen dat Zijn Naam gelasterd wordt doordat Zijn volk door omliggende volkeren zijn weggenomen en over Zijn volk heersen en over hen snoeven/opscheppen. Jesaja/Yeshayahu 52:6

Daarom zal Mijn volk Mijn Naam kennen; daarom, op die dag, zal het weten dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik.
לָכֵ֛ן יֵדַ֥ע עַמִּ֖י שְׁמִ֑י לָכֵן֙ בַּיּ֣וֹם הַה֔וּא כִּֽי־אֲנִי־ה֥וּא הַֽמְדַבֵּ֖ר הִנֵּֽנִי:

Ook in de tijd van Daniël/Dani’el, toen Judeeërs/Yehudim 70 jaar lang in Babylonië waren, zag Dani’el in wat zijn volk had gedaan waarom zij in een vreemd land verbleven in plaats van in hun eigen land. Dani’el bad als volgt:

Heere, luister. Heere, vergeef. Heere, sla er acht op en doe het, wacht niet langer – omwille van Uzelf, mijn God. Over Uw stad en over Uw volk is immers Uw Naam uitgeroepen.
אֲדֹנָ֚י | שְׁמָ֙עָה֙ אֲדֹנָ֣י | סְלָ֔חָה אֲדֹנָ֛י הַקְשִׁ֥יבָה וַֽעֲשֵׂ֖ה אַל־תְּאַחַ֑ר לְמַֽעַנְךָ֣ אֱלֹהַ֔י כִּֽי־שִׁמְךָ֣ נִקְרָ֔א עַל־עִֽירְךָ֖ וְעַל־עַמֶּֽךָ:ֽ

In Jesaja/Yeshayahu 48 lezen wij dat onze God Zijn woede en wraak uitstelt vanwege Zijn Naam. [Jesaja/Yeshayahu 48:1-9]

In Jeremia/Yirmeyahu 7:30 en 32:34 zien wij dat onze God verbolgen is wat er in Zijn huis – dat naar Zijn Naam is vernoemd – gebeurt. Afgoden en andere gruwelheden worden in de Tempel aanbeden en gedaan. Ook in Ezechiël/Yechezkel 43:8 zien we dit staan.

In Leviticus/Vayikra 20:1-3 lezen wij dat onze God via Moshe aan eenieder – van Israëliet tot aan de vreemdeling die in Israël/onder de Israëlieten verblijven – de volgende waarschuwing geeft:

De HEERE sprak tot Mozes:
U moet vervolgens tegen de Israëlieten zeggen: Iedereen uit de Israëlieten en uit de vreemdelingen die in Israël verblijven, die iemand uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven heeft, moet zeker gedood worden: de bevolking van het land moet hem met stenen stenigen.
En Ikzelf zal Mijn aangezicht tegen die man keren en hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Hij heeft immers iemand uit zijn nageslacht aan de Molech overgegeven, waardoor Mijn heiligdom verontreinigd en Mijn heilige Naam ontheiligd is.
וַיְדַבֵּ֥ר יְהוָֹ֖ה אֶל־משֶׁ֥ה לֵּאמֹֽר:
וְאֶל־בְּנֵ֣י יִשְׂרָאֵל֘ תֹּאמַר֒ אִ֣ישׁ אִישׁ֩ מִבְּנֵ֨י יִשְׂרָאֵ֜ל וּמִן־הַגֵּ֣ר | הַגָּ֣ר בְּיִשְׂרָאֵ֗ל אֲשֶׁ֨ר יִתֵּ֧ן מִזַּרְע֛וֹ לַמֹּ֖לֶךְ מ֣וֹת יוּמָ֑ת עַ֥ם הָאָ֖רֶץ יִרְגְּמֻ֥הוּ בָאָֽבֶן:
וַֽאֲנִ֞י אֶתֵּ֤ן אֶת־פָּנַי֙ בָּאִ֣ישׁ הַה֔וּא וְהִכְרַתִּ֥י אֹת֖וֹ מִקֶּ֣רֶב עַמּ֑וֹ כִּ֤י מִזַּרְעוֹ֙ נָתַ֣ן לַמֹּ֔לֶךְ לְמַ֗עַן טַמֵּא֙ אֶת־מִקְדָּשִׁ֔י וּלְחַלֵּ֖ל אֶת־שֵׁ֥ם קָדְשִֽׁי:ֽ