Our Yeshua (Immanuël)

Een verzameling van onze studies
Home Artikelen Over ons

Mogen wij Gods Naam uitspreken? Vervolg.

Gebeden van mensen met betrekking tot de Naam van onze God

David bezong dat zijn ziel door onze God herstelt zal worden en dat hij door onze God op de paden der rechtvaardigheid zal worden geleid, en dit alles vanwege de Naam van onze God. [Psalmen/Tehillim 23:3; 31:1-4]

Ook bad David tot God of zijn zonden vergeven mocht worden. Echter vroeg hij dit niet om zijn ziel te redden, maar gaf als reden aan: "Omwille van Uw Naam". [Psalmen/Tehillim 25:11; 143:11]

De schrijver van Psalmen/Tehillim 44 vertelt wat het door onze God verstoten volk allemaal beleeft en meemaakt. Ze erkennen de kracht van Zijn Naam, waarmee zij hun vijanden van zich af wisten te houden en ze danken dan ook voor altijd Zijn Naam [vers 9]. Ze getuigen dat zij door hun eigen schande in hun huidige situatie zijn beland. Toch getuigen zij dat zij Zijn geboden niet zullen vergeten en daar ook niet van af zullen wijken. En dit niet alleen … ook getuigen zij dat zij Zijn Naam niet zullen vergeten:

Ons hart is niet teruggeweken en onze schreden zijn niet van Uw pad geweken,
ook al hebt U ons in een oord van jakhalzen verpletterd, en ons met een schaduw van de dood overdekt.
Als wij de Naam van onze God hadden vergeten en onze handen hadden uitgebreid naar een vreemde god,
zou God dan niet onderzoeken? Want Hij weet wat er in het hart verborgen ligt.
לֹֽא־נָס֣וֹג אָח֣וֹר לִבֵּ֑נוּ וַתֵּ֥ט אֲשֻׁרֵ֗ינוּ מִנִּ֥י אָרְחֶֽךָ:
כִּ֣י דִ֖כִּיתָנוּ בִּמְק֣וֹם תַּנִּ֑ים וַתְּכַ֖ס עָלֵ֣ינוּ בְצַלְמָֽוֶת:
אִם־שָׁ֖כַחְנוּ שֵׁ֣ם אֱלֹהֵ֑ינוּ וַנִּפְרֹ֥שׂ כַּ֜פֵּ֗ינוּ לְאֵ֣ל זָֽר:
הֲלֹא־אֱלֹהִ֥ים יַֽחֲקָר־זֹ֑את כִּי־ה֥וּא יֹ֜דֵ֗עַ תַּֽעֲלֻמ֥וֹת לֵֽב:

[Psalmen/Tehillim 44:19-22]

Hieruit maak ik ook op dat als wij de Naam van onze God vergeten zijn, dat onze God in onze harten wel kan zien of wij vreemde goden aanbidden, of onze eigen ideeën, wensen en begeertes in plaats van Hem.

Rond 587 vGJ werden de Judeeërs door de Babiloniërs, onder koning Nebukadnezar II, naar Babylonië afgevoerd en werd de Tempel – die Sh’lomo/Salomo had gebouwd – vernietigd. Zeventig jaar lang hebben zij daar gewoond, toen zij uiteindelijk weer terug naar hun geboortegrond mochten en een tweede Tempel mochten bouwen. Tijdens deze periode zijn veel gewoontes van de Babyloniërs overgenomen. Een verbod die de Judeeërs door de Babyloniërs werd opgelegd, is dat zij de Naam van onze God niet uit mochten spreken.
In de tijdsperiode van de Makkabeeën – rond 167 vGJ – waren het de Grieken die hun goden en religieuze gewoonten op de mensheid wilden leggen en zo ook op de Judeeërs. Zij vochten terug en dankzij dit gebeuren bleef de God van Abraham, Izaäk en Jakob gediend, aanbeden en bleef Zijn Naam genoemd. Het feest Chanoeka herdenkt dit gebeuren.

Rond 23 GJ leerde een Joodse rabbijn zijn volk, en iedereen die er maar naar wilde luisteren, wat de Instructie [Torah] van onze God is en heeft hij Zijn Naam verklaart. Door de eeuwen heen was er veel ruis en valse religie binnen Yahadoet [= Godsdienst van de Judeeërs] binnengeslopen. De naam van deze man was (en is) Yehoshua/Yeshua [Jezus]. Zijn naam is van het Hebreeuwse werkwoord יְשוּעָה /jesjoe-a/ wat redding (uit de nood) betekent. De naam Yehoshua/Yeshua betekent: Yehovah is (of brengt) redding. [Mattityahu/Matthéüs 1:21]

Deze Yehoshua zei dat hij zich niet eerder laat zien, totdat hij verwelkomt wordt in Gods Naam יהוה:

Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u toe gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild!
Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten.
Want Ik zeg u: U zult Mij van nu af aan niet zien, totdat u zegt: Gezegend is Hij Die komt in de Naam van de Heere!

__Matthéüs/Mattityahu 23:37-39

Gezegend wie komt in de Naam van de HEERE!
Wij zegenen u vanuit het huis van de HEERE.

בָּר֣וּךְ הַ֖בָּא בְּשֵׁ֣ם יְהֹוָֽה בֵּֽ֜רַכְנוּכֶ֗ם מִבֵּ֥ית יְהֹוָֽה:

__ Psalmen/Tehillim 118:26

Toen Yehoshua op een ezelin Jeruzalem binnenreed, riep het volk de woorden van Pslam 118:26, waarbij zij de Naam van onze God uitspraken. De priesters, farizeeën en schriftgeleerden riepen dit niet en zij waren degene die in het huis van יְהֹוָה zaten.

In 70 GJ werd de tweede Tempel verwoest door de Romeinen en na de Bar-Kochba opstand – in 135 GJ – werden de Judeeërs uit Jeruzalem verdreven en werd hen op straffe des doods verboden de Naam van onze God uit te spreken, noch hun religie te praktiseren. Het rabbinaat heeft toen besloten de Naam יְהֹוָה niet hardop te lezen, maar in plaats daarvan hardop te lezen אְֲדוֹנְָי [Adonai]. In de Nederlandse vertalingen is dit opgenomen als HEER/HEERE, waarmee Gods Naam definitief uit de Bijbel is verdwenen. In de meeste Hebreeuwse vertalingen is de Cholem bij de eerste Hee weggelaten.