Our Yeshua (Immanuël)

Een verzameling van onze studies
Home Artikelen Over ons English

Home >> Artikelen "Moadiem" >> Pesach פְסַח - een offer

Israël verhuist naar Goosen-Egypte

De zeven jaren aan hongersnood trof niet enkel Egypte, maar meerdere landen rondom Egypte.
Zo ook het land waarin Israël zich bevond: Kanaän. Israël gaf zijn zonen opdracht naar Egypte te gaan om voedsel te kopen, want hem was ter ore gekomen dat daar voedsel te kopen was. Behalve zijn 12de en jongste zoon Benjamin – Rachels tweede en jongste zoon – gingen de broers op pad naar Egypte.

De Farao had Josef kleding en uiterlijk gegeven als die van de Egyptenaren; een onderkoning van Egypte waardig. Hij had Josef aangesteld over het uitdelen van voedsel, en zo kwamen de broers naar Josef toe, bogen voor hem en wilden voedsel bij hem kopen. Zij herkenden hun broer Josef niet. Wat zij feitelijk deden, was precies wat Josef had gedroomd en aan hen en hun vader had verteld, waar zijn broers zo boos om waren.

Uiteindelijk maakte Josef zich bekend aan zijn broers en het weerzien was in vreugde en ontroering. Israël werd op de hoogte gebracht van het nog in leven zijn van zijn 11de zoon Josef en spoedde zich zijn zoon weer te zien. De Farao stelde voor dat Israël met zijn hele gezin en huisraad in het noordwesten van Egypte – Goosen – kwam te wonen, de beste plaats voor een herdersstam. En zo kwam Israël in Egypte te wonen, waar ze ruim 400 jaar hebben geleefd.

De kinderen van Israël in Egypte

De stamvaders, evenals Josef en de toenmalige Farao, waren al lang overleden. De nazaten van Israël en van Jozef woonden nog steeds in Goosen, zo’n 400 jaar lang.

In de laatste jaren van hun verblijf aldaar werden ze als slaven behandeld. De Farao van die tijd wist niets van Josef af en wat de toen in leven zijnde Farao aan overeenkomst met Israël had. De Israëlieten hadden zich zo uitgebreid, dat de Farao bang was dat zij zich op een dag tegen hem kon keren door met één van Egyptes vijanden mee te strijden tegen Egypte. En dus leek het hem een uitstekend idee de pasgeboren jongetjes in de Nijl te werpen (wat eigenlijk een afgod van Egypte was) en dat enkel de meisjes mochten leven. Dit opdracht gaf hij aan de Egyptenaren, nadat hij eerder aan de Hebreeuwse verloskundigen had opgedragen de jongens om te brengen en de meisjes te laten leven. De verloskundigen gaven hier geen gehoor aan, omdat ze onze God meer vreesden dan de Farao.

Vanuit de stam Levi, de 3de zoon van Israël, werd een jongetje geboren die ook in de Nijl zou worden geworpen als zijn moeder hem niet in een rieten mandje had gestopt en hem diezelfde rivier af had laten drijven. De dochter van de Farao was in de rivier de Nijl aan het baden en zag het mandje. Ze liet één van haar dienstmeiden het mandje op de kant trekken. Toen ze zag dat er een baby in lag, wist ze dat het één van de Hebreeërs was. De zus van het jongetje vroeg de dochter van de Farao of zij een Hebreeuwse vrouw zou halen die het jongetje voor haar kon voeden. De dochter van de Farao gebood het meisje zo’n vrouw te halen die dat kon doen, en het meisje haalde haar moeder op.

Volgens Wikipedia is de naam Moses afgeleid van het Egyptische werkwoord / ms / of / msj / (“dragen”) en is het een verkorte vorm van de Egyptische naamvorm zoals Toetmosis (“geboren uit Thot”). Bij Moses is het element dat de god benoemd weggelaten en betekent daarom letterlijk: “geboren uit [een naamloze god]”.

In de Bijbel staat echter dat de dochter van de Farao hem de naam heeft gegeven, omdat zij het jongetje uit het water heeft gehaald. De naam in het Hebreeuws is: מֹשֶׁה / mosjè /. Met dezelfde letters en andere klinkers vormt het een werkwoord in verledentijd, enkelvoud, mannelijk wat “uit vissen” betekent: מָשָׁה / maasjaa /. In het Hebreeuws staat er dan ook in de Bijbel:

... וַתִּקְרָא שְׁמוֹ מֹשֶׁה וַתּאֹמֶר כִי מִן-הַמַּיִם מְשִׁיתִהוּ

Vertaald:
… en noemde zijn naam / Mosjè / en zei: “want ik heb hem uit het water gevist”.

De jongen groeit op in het huis van de Farao en leert alle wijsheiden van Egypte. Op jongvolwassen leeftijd neemt hij een kijkje bij zijn eigen volk en ziet dat een Egyptenaar een Hebreeër zeer hard aanpakt. Moses komt tussenbeide en brengt in een worsteling dat daarop volgt de Egyptenaar om. In plaats van een bedankje o.i.d., wordt het Mosje niet in dank afgenomen. Bij een volgende gelegenheid ziet hij twee Hebreeërs met elkaar in conclaaf en komt wederom tussenbeide. Ook hier krijgt hij geen warm onthaal, maar een sneer. In niet te misverstane woorden herinneren zij hem aan zijn moord op de Egyptenaar. Mosje schrikt, omdat hij nu weet dat de zaak bekend is en ook de Farao weet er inmiddels van. Hij zocht Mosje om hem om te brengen en Mosje vluchtte de wildernis in richting Midian. Hij verblijft daar bij een priester die Reuel heet en later Jetro wordt genoemd, die zeven dochters heeft. Mosje trouwt met één van hen, waarmee hij twee zonen krijgt. Als hij ongeveer 80 jaar is, ontvangt hij via een wonderbaarlijke verschijning de opdracht van onze God terug te keren naar Egypte om zijn volk, de kinderen van Israël, te begeleiden en uit het land te halen. Moses blijkt een stotteraar te zijn, maar onze God deelt hem mee dat zijn broer Aharon hem zal helpen en als het ware zijn profeet zal zijn. Moses gehoorzaamt uiteindelijk en keert weer terug naar Egypte, naar zijn volk de Israëlieten, de Hebreeërs.