Our Yeshua (Immanuël)

Een verzameling van onze studies
Home Artikelen Over ons English

Home >> Artikelen "Moadiem" >> Pesach פְסַח - een offer

De instructies ter voorkoming van de 10de plaag

Mosje moest van onze God aan de kinderen van Israël vertellen dat iedere man op de 10de dag van de maand, die de Eerste Maand is en het hoofd van het jaar is, een lam tot zich moest nemen. Dit moest hij voor zijn huis(houding) doen en als dit lam te veel zou zijn voor alleen zijn huis/familie, dan moest hij het samen met zijn buren doen. Het lam moest mannelijk zijn en een jaar oud. Het lam mocht geen vlekken en mankementen vertonen.

Het lam moest tot de 14de dag van deze Eerste Maand bewaard worden. Dan staat er in het Hebreeuws letterlijk dat iedere man zijn lam tussen de mengingen bij zijn huis moest slachten [offeren] en het bloed moest opvangen en met een hysop het opgevangen bloed op de beide deurposten en op de bovendorpel van het huis, waarin zij het zouden eten, moest schilderen.

Vervolgens moesten ze hun lam in vuur roosteren en het in diezelfde nacht eten met matsot [ongezuurde broden] en maror [bittere kruiden]. Ze moesten het gehaast eten (wel goed kauwen uiteraard) en daarbij gekleed, geschoeid en met de staf in hun handen … gereed voor vertrek. Ze moesten het eten in de huizen die ze met het opgevangen bloed beschilderd hadden. Dat diende als merkteken voor Gods doodslager om dat huis over te slaan en daarvan niet alle eerstgeborenen van mens en dier ‘te slaan’ (= doden).

De kinderen van Israël gehoorzaamden (en niet alleen zij) en diezelfde nacht, als zij in hun met het merkteken voorziene huizen het Pesach (= offer, als ware zij priesters) aten, trok de doodslager door Egypte om alle eerstgeborene van mens en dier tot zich te nemen. De Farao gaf toen toe en de kinderen van Israël vertrokken uit Egypte – waaronder ook mensen van andere volkeren, ook enkele Egyptenaren – en onze God gaf het de achtergebleven Egyptenaren in hun harten de kinderen van Israël (bijna) alles te geven aan waarde tijdens hun vertrek. Aan eten konden de Israëlieten geen gezuurde degen meenemen. Het enige wat ze hadden, was ongezuurde degen.

Toen de Israëlieten goed en wel vertrokken waren, verhardde de Farao zijn hart (beter: werd zijn hart door God versterkt) en trok met zijn leger achter de Israëlieten aan. De Israëlieten waren inmiddels bij een zee aangekomen en zaten in de val. Achter hen kwam de Farao met zijn leger aanstormen en voor hen lag de zee, waar ze niet over konden. Boten e.d. hadden ze niet. Onze God יהוה gebood Mosje zijn staf omhoog te doen en zijn hand over de zee uit te strekken, om zo de zee te splitsen. Mosje gehoorzaamde en de zee werd verdeeld aan weerskanten, zodat in het midden het droge zichtbaar werd. De Israëlieten konden hier overheen lopen naar de overkant. De Farao en zijn leger trok hier ook doorheen, maar op het moment dat de laatste Israëliet aan wal kwam, deed Mosje zijn staf en hand omlaag en de aan weerskanten opgesplitste zee werd weer één geheel. De Egyptenaren werden bedolven onder water.