Our Yeshua (Immanuël)

Een verzameling van onze studies
Home Artikelen Over ons English

Home >> Artikelen " antithese" >> “Ehjeh אהיה! Ik zal Mijn eer aan geen ander geven!”

“Ehjeh אהיה! Ik zal Mijn eer aan geen ander geven!”

16 Chesjwan 5778 | 5 november 2017

De titel is een samensmelting van korte gedeelten uit de passages Exodus 3:12,14 en Jesaja 42:8.
Ze worden aangehaald om aan te geven dat יהוה, onze God, Zijn glorie niet aan een ander zal geven en dat het daarom onzin is – ja zelfs ‘Godslastering’ – dat voortaan de naam Yeshua [Jezus] voldoende is. Ik citeer de passages uit Herziene Statenvertaling en uit Westminster Leningrad Codex:

Jesaja 42:8
Ik ben de HEERE [YHWH] – dat is Mijn Naam; Mijn eer zal ik aan geen ander geven, evenmin Mijn lof aan de afgodsbeelden.
Uit: Herziene Statenvertaling

Hebreeuwse tekst Shemot/Exodus 3:12,14, met blauwafgedrukt אהיה

Vanuit de complete TeNaCH een enkel vers halen en hiermee je statement nemen, is hetzelfde als een plaatje te zien krijgen – wat is dubbelgevouwen – waarop een ‘blote billenafbeelding’ lijkt te zijn afgebeeld … totdat je het plaatje openvouwt en je het complete plaatje te zien krijgt en blijkt dat het een snoet van een dier is.

We gaan daarom de passages terug in de context plaatsen van waaruit zij genomen zijn. We beginnen met Jesaja 42:8 en eindigen met Exodus 3:12,14, waar we tevens uit gaan zoeken wat “ehjeh” betekent.

Jesaja 42

Het hele boek Jesaja gaat over geheel Israël – de kinderen van Israël [Jakob] – waarvan het koninkrijk in tweeën is gesplitst. Ze staan elkaar naar het leven en beide dienen afgoden [gesneden beelden]. Via de profeet Jesaja waarschuwt onze God ze op voorhand wat er staat te gebeuren. En dan niet alleen binnen een tijdsbestek van een paar honderd tot duizend jaar; ook in onze tijd zij er nog profetieën niet geheel vervuld.

Zo is ook vers 8 van hoofdstuk 42 gericht tot de kinderen van Israël. Jesaja woonde in Judea en profeteerde veel tegen de Judeeërs. Jesaja 42 begint niet bij vers 8, maar bij vers 1:

Jesaja 42:1
Zie, Mijn Knecht, die Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in wie Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd. Hij zal tot de heidenvolken het recht doen uitgaan.
Uit: Herziene Statenvertaling

Via de profeet Jesaja deed onze God zijn volk, en doet Hij ons lezers, wijzen op Zijn knecht. Als we de verzen verder lezen, zien we de volgende kenmerken van deze “knecht”: